De Ljouwerter Skotsploech, een folkloristische dans- en zanggroep uit de Friese hoofdstad, is in 1948 opgericht met het doel bepaalde facetten van de Friese folklore in stand te houden en het waardevolle uit het verleden aan de mensen van vandaag over te dragen door dans, muziek, zang en toneel. De kleren die gedragen werden, stammen uit de periode 1820-1860. We dragen bij de Ljouwerter Skotsploech de modedrachten van verschillende periodes.
 

Mode uit  ± 1820.

De Biedermeier periode wat duidelijk is te zien aan de  nog hoge taille en de brede mouwen, de zogenaamde schapenboutmouwen.  Onder de rok een witte onderrok en witte kousen.  Een witte kanten kraag of tipdoek en een katoenen of zijden schort maken het geheel af.

Op het hoofd  een smal zilveren of koperen oorijzer met kleine potknoppen.  Met daarover een lange slappe flodder (wordt er een gouden oorijzer gedragen tijdens het optreden bij dit kostuum dan is dit uit de periode 1840).
Verder een sydsilver (meestal een naaldenkoker, schaar en speldenkussen) en tas met beugel.  Zwarte schoenen met gesp en witte kousen.

De man uit 1820 draagt ecru kleurige kousen met een zwart fluwelen kuitbroek. Een linnen overhemd geborduurd aan de hals en de manchetten.  Gesloten met zilveren of gouden keelknopen.  Daarover een katoenen damast baaitje (jasje) gesloten met zilveren knopen. 
Dit is open onder de armen. Op zijn hoofd een zwarte hoge hoed, in een Biedermeier model.
 

Dan de periode 1860.
 

De dames dragen een jak met een lange schoot op een wijde rok. De taille zit weer op de normale plaats.  Onder de rok een gekleurde en een witte onderrok. De gekleurde onderrok had ook nog de functie bij onverwacht regenweer b.v. uit de kerk vandaan. De bovenste rok kon dan even over het hoofd geslagen worden zonder dat men direct in het witte ondergoed liep.
Op het hoofd een al veel bredere versie van het oorijzer. Het oorijzer is ontstaan uit een smal ijzeren bandje en werd steeds breder en van steeds duurder metaal.
Daarover een flodder met een korte stijf gesteven strook. Het oorijzer steeds breder, de strook aan de muts steeds korter en steviger. Daarbij mutsspelden en soms ook z.g.n. veren, deze hebben vaak diamanten in het ontwerp. Ook een beugeltas en een sydsilver ontbreekt niet.

De man uit 1860 draagt een zwart fluwelen kniebroek met daarbij blauwe kousen. In de stad was de lange broek al in de mode. Een wit overhemd met daarbij een op een speciale manier geknoopte hals doek. En een gilet. Dan nog de zwarte jas, genaamd een Frak. Door de verkortte voorkant showden de heren hun kleurige vest.
Als sieraden dragen ze signetten(horloge sleutel, lakstempel en pijpstopper) met aan de andere kant van de ketting het horloge. En gespen op de schoenen. Op het hoofd nog een hoge hoed.

 

1953.

Tenslotte nog het kostuum wat is ontstaan uit een ontwerp wedstrijd in 1953. Na de 2e  wereldoorlog bestond er de behoefte om een wat vlotter kostuum te maken waarin men zich beter kon bewegen.


De rokken waren korter en de nylonkousen hadden hun intrede gedaan.  De oorijzers waren verdwenen.  Dit nieuwe kostuum werd  nooit echt algemeen zoals men gehoopt had.  Eigenlijk werd het alleen door Zang en Dansgroepen gedragen. 
Ook het gezelschap “Tetman en Jarich de Vries" heeft het gedragen.  Veel vrouwen- verenigingen schaften het ook aan.
Het dames kostuum bestaat uit een: Jakje met schootje en een zesbaans rok.  De stijl doet denken aan de ‘New Look’van Dior.  Een  geborduurd schort en een mutsje met dezelfde figuren.  Een tipdoek doet ook nog aan het oude kostuum denken.  Verder zilveren sierraden en een kralentasje.
Het Heren kostuum bestaat uit een pofbroek (drollenvanger)een geborduurd vestje met vaak dezelfde figuren en kleuren als in de schort van de dames.  Verder dragen ze een colbertje zonder kraag een wit overhemd en een grijs dasje. Ook nog grijze kabel kniekousen.  Ook hoort er een hoed bij, model jagershoedje.
De mannen dragen een horlogeketting en sommigen signetten.

Het dansprogramma bestaat uit een groot aantal oude Friese dansen, zoals polka's, mazurka's en walsen en natuurlijk de bekende Skotse Trije. Maar ook brengt zij een zangprogramma van oude Friese liederen en niet te vergeten het zangstuk "Fryske Trou". In dit folkloristische zangstuk, dat in 1919 geschreven is door Y.C. Schuitmaker, wordt in de originele kleding, oude Friese ambachten en sporten uitgebeeld. Het hele programma wordt muzikaal begeleid door violisten  en/of accordeonisten. Met al deze afwisselende activiteiten kan een compleet avondprogramma gebracht worden.

Door de prachtige kostuums en folkloristisch verantwoorde dansen, zang en muziek wordt de Ljouwerter Skotsploech vaak gevraagd voor optredens in binnen- en buitenland. In veel landen van Europa en daar buiten  heeft de groep opgetreden, waarbij de reizen naar Bari (Italië) in 1950, naar Israël in 1978, Sibiu (Roemenië) in 1990, Thailand in 1991, Zuid-Afrika in 1997, Taiwan in 2000 en Mexico in 2002  bijzondere hoogtepunten waren. Het is voor de leden een eer om waar dan ook Friesland te vertegenwoordigen en een stukje Friese folklore uit te dragen.

Op dit moment zijn zo'n 30 leden actief. De komende tijd zal door het bereiken van de "pensioenleeftijd" een aantal leden afscheid nemen. Daarom zijn we druk bezig om nieuw bloed in ons midden te krijgen. Vooral wat jongere, liefst Fries sprekende mensen (paartjes), die hun liefde voor Friesland uitstralen willen in dansen, zingen, Friese kleding, enzovoort, kunnen we goed gebruiken. uiteraard zijn ook andere belangstellenden van harte welkom.